De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om zijn minderjarige kind onder toezicht te stellen vanwege zorgen over de ontwikkeling van het kind, veroorzaakt door de beperkte medewerking van de moeder aan de zorgregeling. Eerder was een traject 'Voor ieder 1' opgelegd, maar dit is niet gestart wegens gebrek aan vrijwillige deelname van de ouders.
De Raad voor de Kinderbescherming had in november 2021 geen aanleiding gezien voor ondertoezichtstelling, maar de omstandigheden waren inmiddels gewijzigd. De vader herhaalde zijn verzoek in mei 2022, waarbij hij stelde dat de moeder het contact tussen het kind en hem belemmerde, wat de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigde.
De rechtbank constateerde dat de moeder niet in staat was het kind te stimuleren contact met de vader te hebben zonder haar aanwezigheid, waardoor het kind geen onbelaste positieve ervaringen opdeed. De vrijwillige hulpverlening werd onvoldoende geaccepteerd, waardoor een gedwongen kader noodzakelijk werd geacht.
De rechtbank stelde het kind daarom onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland voor de periode van een jaar, met als doel het bevorderen van onbelast contact en het onderzoeken van benodigde hulpverlening. Verdere beslissingen over de zorgregeling en proceskosten werden aangehouden tot december 2022.