ECLI:NL:RBDHA:2022:16108
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor slachtoffer mensenhandel wegens niet-nodige aanwezigheid in Nederland
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel tijdelijke humanitaire gronden als slachtoffer van mensenhandel. Verweerder wees deze aanvraag af omdat het Openbaar Ministerie (OM) had bepaald dat de aanwezigheid van eiser in Nederland niet noodzakelijk was voor opsporing en vervolging van mensenhandel. Eiser maakte bezwaar, dat eveneens werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht afging op de sepotbeslissing van het OM en geen zelfstandige onderzoeksplicht had. De rechtbank stelde dat eiser omstandigheden die terugkeer naar Italië belemmeren in een asielprocedure kan aanvoeren. Tevens werd geoordeeld dat de bedenktijd op grond van richtlijn 2004/81/EG wel van toepassing is op eiser als Dublinclaimant, maar dat verweerder geen verwijderingsmaatregel tijdens deze bedenktijd heeft getroffen.
Het arrest van het Hof van Justitie van de EU werd gevolgd, waarbij werd vastgesteld dat het terugnameverzoek en overdrachtsbesluit niet in strijd zijn met de richtlijn. De rechtbank concludeerde dat verweerder de nuttige werking van de bedenktijd niet heeft aangetast en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat de aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk is.