ECLI:NL:RBDHA:2022:16055

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
16 augustus 2023
Zaaknummer
20_6822
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet overleggen benodigde stukken en gebrek aan belang

Eiser heeft bij brief van 28 oktober 2020 beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 17 september 2020, betreffende een beslissing op een bezwaarschrift over handhaving van het gebruik van een pand. De rechtbank heeft eiser verzocht binnen een gestelde termijn een afschrift van het bestreden besluit en een uittreksel uit het handelsregister te overleggen.

Ondanks herhaalde verzoeken, waaronder een aangetekende brief die onbestelbaar werd geretourneerd en daaropvolgend een gewone brief, heeft eiser niet aan dit verzoek voldaan. De rechtbank constateert dat de termijn is verstreken zonder herstel van het verzuim en dat er geen omstandigheden zijn die dit verzuim rechtvaardigen.

Daarnaast is gebleken dat eiser is verhuisd en het bedrijf geen activiteiten meer uitvoert in het betreffende pand, waardoor eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet overleggen van de gevraagde stukken en het ontbreken van belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6822

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2022 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer-Schmitz).

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 28 oktober 2020 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder.

Overwegingen

1.De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Bij brief van 28 oktober 2020 heeft eiser beroep ingesteld. In het beroepschrift staat dat het gaat om het bestreden besluit van verweerder van 17 september 2020, betreffende een beslissing op het bezwaarschrift van [naam] gericht tegen het besluit van
9 januari 2020 over het verzoek om handhaving inzake gebruik van het pand [adres] [nummer] te [plaats].
3. Iemand die beroep instelt moet volgens de wet aan een aantal voorwaarden voldoen.
4. Ingevolge artikel 6:5, tweede lid, van de Awb wordt, voor zover hier relevant, bij het indienen van het beroep zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overgelegd.
Ingevolge artikel 8.24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
Ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb kan indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5. Bij brief van 29 oktober 2020 heeft de rechtbank eiser verzocht om binnen de daarin gestelde termijn alsnog een afschrift van het bestreden besluit en een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel in te zenden. Bij aangetekende brief van
15 december 2020 heeft de rechtbank dit verzoek herhaald, welke brief als onbestelbaar is geretourneerd aan de rechtbank, waarna deze brief op 30 december 2020 per gewone post is toegezonden aan eiser.
6. De rechtbank stelt vast dat de gestelde termijn is verstreken zonder dat eiser aan het verzoek van de rechtbank om herstel van het geconstateerde verzuim gevolg heeft gegeven. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat eiser redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.
7. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende.
Eiser heeft ook geen reactie gegeven op de brief van de rechtbank van 2 augustus 2022, waarin is aangegeven dat is gebleken dat [bedrijfsnaam] is verhuisd en momenteel geen activiteiten uitvoert in het pand op de [adres] [nummer]. Nu uit de stukken is gebleken dat eiser inmiddels is verhuisd, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.