ECLI:NL:RBDHA:2022:15565
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsvergunning zelfstandige Turkse onderdaan onder nationaal recht en Associatierecht
Eiser, een Turkse onderdaan, vroeg om een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige na afloop van zijn verblijfsvergunning als kennismigrant. Verweerder verleende de vergunning met ingang van 26 april 2021, nadat eiser toen aantoonde aan de voorwaarden te voldoen.
Eiser stelde dat hij op grond van het Associatierecht doorlopend verblijfsrecht had en vrij was op de arbeidsmarkt, maar de rechtbank oordeelde dat hij na afloop van zijn kennismigrantenvergunning niet langer als werknemer in de zin van Besluit 1/80 kon worden aangemerkt. Daarom geldt het nationale recht voor de vergunning als zelfstandige.
Verder voerde eiser aan dat de geldigheidsduur van twee jaar in strijd was met de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol, omdat vroeger vergunningen slechts één jaar duurden. De rechtbank stelde vast dat de tweejarige vergunning juist gunstiger is en dat Turkse onderdanen niet gelijk behandeld hoeven te worden als EU-burgers.
De rechtbank concludeerde dat verweerder niet onrechtmatig handelde en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ingangsdatum en duur van de verblijfsvergunning op grond van het nationale recht.