ECLI:NL:RBDHA:2022:15557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
24 februari 2023
Zaaknummer
NL22.19936 en NL22.19938
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 EVRMArtikel 17 lid 1 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvragen wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hun asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eisers beroepen zich op het ontbreken van opvang en medische voorzieningen in Frankrijk, wat volgens hen in strijd is met artikel 3 EVRM Pro en hun twee miskramen zou verklaren.

De rechtbank oordeelt dat verweerder uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, waarbij het aan eisers is om te bewijzen dat dit niet op hen van toepassing is. Eisers zijn hierin niet geslaagd omdat zij geen bewijs hebben geleverd van structurele gebreken in het Franse asiel- en opvangsysteem of van het ontbreken van medische zorg.

De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden van eisers niet zodanig bijzonder en individueel zijn dat toepassing van artikel 17, lid 1, van de Dublinverordening vereist is. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen de niet-inbehandelingneming van de asielaanvragen zijn ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.19936 en NL22.19938
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] en [eiser 2], eisers
V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluiten van 4 oktober 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de zaken NL22.19937 en NL22.19939,
op 25 oktober 2022 op zitting behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen. De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen. De Franse autoriteiten hebben ingestemd met deze verantwoordelijkheid.
2. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij hebben in Frankrijk twee miskramen gehad door het ontbreken van opvang en medische voorzieningen. Deze behandeling is strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Vanwege deze onmenselijke behandeling kan niet van eisers verwacht worden dat zij naar Frankrijk teruggaan. Daarbij heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd
waarom met deze traumatische omstandigheden niet sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden in de zin van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
3. De rechtbank overweegt dat verweerder ten opzichte van Frankrijk in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eisers om aan te tonen dat dit in hun geval niet zo is. Eisers zijn hier niet in geslaagd.
4. Eisers hebben niet onderbouwd dat sprake is van structurele gebreken in het Franse asiel- en opvangsysteem of dat zij het risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM in Frankrijk. Zij hebben niet met stukken onderbouwd dat ze geen toegang hebben gekregen tot de opvang of medische voorzieningen in Frankrijk. Het is verdrietig voor eisers dat ze te maken hebben gehad met twee miskramen in Frankrijk. Zij hebben echter niet onderbouwd dat dit het gevolg is van een gebrek aan opvang of het onthouden van medische zorg in Frankrijk. Verweerder stelt daarbij terecht dat hij er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat eisers in Frankrijk toegang hebben tot de opvang en medische zorg en dat de medische zorg van een vergelijkbaar niveau is als in Nederland. Eiseres heeft niet aangetoond dat ze in Nederland onder specialistische behandeling staat of dat Nederland het aangewezen land is om haar te behandelen. Ook stelt verweerder terecht dat het aan eisers is om te klagen bij de Franse autoriteiten of daartoe geëigende instanties indien zij van mening zijn dat de Franse autoriteiten zich niet houden aan de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. Het is niet gebleken dat klagen voor hen onmogelijk of zinloos is.
5. Verweerder heeft in de omstandigheden van eisers dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening door de asielaanvragen in behandeling te nemen. De omstandigheden die eisers hebben aangevoerd zijn niet zo bijzonder en individueel dat verweerder een uitzondering had moeten maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen.
6. De beroepen zijn ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 oktober 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.