ECLI:NL:RBDHA:2022:15401
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding wegens te late besluitvorming in vreemdelingenzaak
Eiser diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Op 28 september 2022 nam verweerder alsnog een inwilligend besluit. Eiser trok daarop het beroep in, maar verzocht de rechtbank om een proceskostenveroordeling van verweerder.
De rechtbank vond een zitting niet noodzakelijk en sloot het onderzoek. Omdat verweerder alsnog tijdig had beslist, was het beroep feitelijk niet meer aan de orde. De rechtbank beoordeelde daarom alleen het verzoek tot proceskostenvergoeding.
De rechtbank overwoog dat het beroep terecht was ingesteld vanwege de overschrijding van de beslistermijn. Verweerder reageerde niet op het verzoek om proceskostenvergoeding, wat werd geïnterpreteerd als geen bezwaar. De proceskosten werden vastgesteld op €379,50, rekening houdend met een wegingsfactor vanwege de beperkte aard van de procedure.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van deze proceskosten aan eiser. Er werd geen inhoudelijke uitspraak gedaan over het beroep zelf, omdat dit was ingetrokken.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €379,50 aan proceskosten wegens het te laat nemen van het besluit.