ECLI:NL:RBDHA:2022:15137
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen Dublin-overdracht naar Oostenrijk
Verzoeker, met de Syrische nationaliteit, heeft een asielprocedure lopen in Oostenrijk en wenst deze in Nederland voort te zetten. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, heeft de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen en een overdrachtsbesluit naar Oostenrijk genomen op basis van de Dublinverordening.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat Oostenrijk niet tijdig had gereageerd op het verzoek om heroverweging en dat Nederland daarom verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Tevens betwistte hij zijn meerderjarigheid, wat volgens hem een beletsel vormt voor overdracht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat Oostenrijk binnen de wettelijke termijn van veertien dagen had gereageerd op het verzoek om heroverweging. Ook achtte de rechter de meerderjarigheid van verzoeker aannemelijk, mede omdat Oostenrijk hem als meerderjarige registreerde en de overgelegde documenten slechts indicatief waren. Omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren gebleken die overdracht in de weg staan, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
De uitspraak is bindend voor het bodemgeding niet en er is geen hoger beroep mogelijk. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de Dublin-overdracht naar Oostenrijk wordt afgewezen.