ECLI:NL:RBDHA:2022:15136

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 november 2022
Publicatiedatum
6 februari 2023
Zaaknummer
AWB 22/6644
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 6 lid 4 SchengengrenscodeArt. 14 lid 1 SchengengrenscodeVerordening 2016/399
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen toegangsweigering op grond van middelenvereiste Schengengrenscode

Verzoekster, met de Ghanese nationaliteit, werd op 1 november 2021 de toegang tot Nederland geweigerd door de Koninklijke Marechaussee (KMar). Tevens werd haar Schengenvisum ingetrokken en een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Verzoekster stelde dat het administratief beroep tegen deze besluiten redelijke kans van slagen had, omdat de KMar ten onrechte het middelenvereiste aan haar stelde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster spoedeisend belang had vanwege een dreigende uitzetting binnen 48 uur en verklaarde het verzoek ontvankelijk. Echter, de rechter stelde vast dat verzoekster niet voldeed aan het geldende middelenvereiste van minimaal 100 euro per persoon per dag, met een minimum van 900 euro, zoals bepaald in artikel 6, lid 4 van de Schengengrenscode. Verzoekster beschikte slechts over 400 euro contant, terwijl zij en haar partner gezamenlijk ook niet aan het vereiste van 1800 euro voldeden.

De overgelegde creditcard werd niet als geldig betaalmiddel erkend omdat deze niet op naam stond en niet was getekend. Omdat de toegangsvoorwaarden cumulatief zijn, had het administratief beroep geen redelijke kans van slagen. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en hoefde verweerder geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de toegangsweigering wegens niet voldoen aan het middelenvereiste wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/6644
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 5 november 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Rikken).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2021 (bestreden besluit) heeft de Koninklijke Marechaussee (KMar) aan verzoekster de toegang tot Nederland geweigerd. Bij afzonderlijke besluiten van gelijke datum heeft de KMar ook het door de Spaanse autoriteiten afgegeven Schengenvisum type C van verzoekster ingetrokken en een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, lid 1 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan verzoekster opgelegd.
Verzoekster heeft tegen de toegangsweigering (bestreden besluit) administratief beroep ingesteld bij verweerder. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van de voorgenomen uitzetting van verzoekster, totdat op het administratief beroep is beslist.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is meteen mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Verzoekster stelt de Ghanese nationaliteit te hebben en wenst samen met haar partner, dhr. [A], toegang te verkrijgen tot het Schengengebied.
3. Verzoekster voert aan dat het administratief beroep redelijke kans van slagen heeft, omdat de KMar ten onrechte het middelenvereiste aan haar tegenwerpt. Ook heeft de KMar zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoekster niet over passende documentatie beschikt om het doel en de omstandigheden van haar verblijf aan te tonen.
4. Verweerder heeft gemotiveerd gereageerd op de ingebrachte gronden.
5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
6. Verzoekster heeft spoedeisend belang bij de voorlopige voorziening, omdat zij binnen 48 uur uitgezet wordt naar Ghana. De voorzieningenrechter acht het verzoek daarom ontvankelijk.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat verzoekster niet voldoet aan het middelenvereiste op grond van artikel 6, lid 4 van de Schengengrenscode (SGC) [1] . Anders dan verzoekster betoogt betreft het geldende richtbedrag voor kort verblijf van derdelanders in Spanje 100 euro per persoon per dag met een minimum van 900 euro [2] . Aangezien verzoekster slechts 400 euro aan contanten bij zich heeft, voldoet zij niet aan dit vereiste. Hoewel het hier per definitie een individuele toets betreft, voldoen verzoekster en haar partner – die over 800 euro in contanten beschikt - ook in samenhang bezien ook niet aan de gezamenlijk gestelde middeleneis van 1800 euro. De overgelegde kopie van de creditcard maakt dit oordeel niet anders, nu deze niet op naam is gesteld en niet is getekend en alleen daarom al niet als geldig betaalmiddel gebruikt kan worden. Nu de toegangsvoorwaarden van artikel 6, eerste lid SGC op grond van artikel 14, eerste lid SGC cumulatieve voorwaarden betreffen, heeft reeds hierom het administratief beroep geen redelijke kans van slagen. Het verzoek tot een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen en de overige aangevoerde gronden behoeven om deze reden dan ook geen verdere bespreking.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
9. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
griffier
rechter
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Voetnoten

1.Verordening 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2016, betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen.
2.Zie de volgende link: