ECLI:NL:RBDHA:2022:15084
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na ongegrondverklaring beroep
Verzoekers, bestaande uit een asielzoeker en haar minderjarige kind, hebben een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 21 november 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekers stelden beroep in tegen dit besluit en vroegen tevens om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten totdat op het beroep was beslist.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 13 december 2022, gelijktijdig met een soortgelijke zaak. Verzoekers waren aanwezig en werden bijgestaan door een gemachtigde, met een tolk voor de Georgische taal. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.
Op de dag van de uitspraak werd het beroep in de hoofdzaak ongegrond verklaard. Hierdoor verviel het vereiste van connexiteit zoals opgenomen in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dat noodzakelijk is voor het toewijzen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter P.M. de Keuning en griffier C.M. van den Berg, in het openbaar en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep ongegrond is verklaard en het connexiteitsvereiste niet langer geldt.