ECLI:NL:RBDHA:2022:15013
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht op grond van Dublinverordening wegens ongegronde vrees voor rivaliserende bendes in Zweden
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hem over te dragen aan de autoriteiten van Zweden op grond van artikel 26, eerste lid, van de Dublinverordening. Hij stelt dat hij bij overdracht vreest voor zijn leven vanwege rivaliserende bendes in Zweden, waar hij vandaan is gevlucht.
De rechtbank heeft het beroep op 13 september 2022 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard omdat eiser zijn vrees niet heeft onderbouwd. Er is geen asielaanvraag ingediend en dus ook geen dossier met feiten die de vrees ondersteunen.
De rechtbank concludeert dat de beroepsgrond geen doel treft en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg en griffier M.A.W.M. Engels op 20 september 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Zweden wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van de vrees.