ECLI:NL:RBDHA:2022:14991
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens actuele ernstige bedreiging samenleving
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende persoon, verblijft sinds 2016 in Nederland. Hij werd in 2019 veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, voor poging tot doodslag en vernieling. Na zijn vrijlating in 2020 beëindigde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn verblijfsrecht en verklaarde hem ongewenst vanwege het gepleegde ernstige misdrijf en de geuite vrees voor recidive.
Eiser voerde aan dat verweerder onterecht een actuele bedreiging aannam, dat Poolse justitiële documentatie onterecht werd betrokken en dat hij een positieve gedragsverandering had getoond. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het strafvonnis en de daarin geuite zorgen over recidive en explosief gewelddadig gedrag. De Poolse documentatie werd niet gebruikt voor de beoordeling van de actuele dreiging, en eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij zijn gedrag positief had veranderd.
De rechtbank verwierp de stelling dat het tijdsverloop tussen vrijlating en besluit te lang was om een actuele dreiging aan te nemen, mede omdat de proeftijd nog liep. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 14 december 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen beëindiging van het verblijfsrecht en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.