ECLI:NL:RBDHA:2022:14949
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijderingsmaatregel en verblijfsvraag Unieburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland
Eiser, een Poolse Unieburger die sinds 2017 in Nederland verblijft, heeft een verwijderingsmaatregel opgelegd gekregen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf volgens artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Hij verricht geen economische activiteit, heeft geen vaste woonplaats en heeft een strafrechtelijke voorgeschiedenis.
Eiser betoogt dat verweerder de belangenafweging ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen en dat de opgelegde vertrektermijn van 28 dagen in strijd is met de Verblijfsrichtlijn die een termijn van minimaal 30 dagen voorschrijft. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt, waarbij het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt.
Hoewel de vertrektermijn technisch te kort was, heeft eiser door het instellen van rechtsmiddelen feitelijk een langere termijn gekregen en heeft hij geen belang meer bij deze klacht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.