ECLI:NL:RBDHA:2022:1490
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen na ongegrondverklaring beroep verblijfsdocument
Verzoeker, een Turkse burger, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Deze aanvraag werd bij een besluit van 31 juli 2020 afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd op 16 december 2020 ongegrond verklaard.
Tegen dit bestreden besluit stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag. Gelijktijdig verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro een uitspraak zonder zitting kan worden gedaan en dat een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dit vereist.
De rechtbank had op dezelfde dag het beroep van verzoeker ongegrond verklaard, waardoor er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer was. Hierdoor werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.J.P. Bosman en griffier R.W. Craanen op 25 februari 2022.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds ongegrond is verklaard.