ECLI:NL:RBDHA:2022:14877
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De eiser diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat hij een bijzondere afhankelijkheidsrelatie heeft met zijn minderjarige broer die in Nederland verblijft, waardoor Nederland de behandeling zou moeten overnemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank stelde vast dat artikel 10 en Pro 16 van de Dublinverordening niet van toepassing zijn en dat het geschil zich richt op de toepassing van artikel 17. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen. De verklaring van de minderjarige broer was onvoldoende om een bijzondere afhankelijkheidsrelatie aan te tonen.
Verder werd meegewogen dat er meerdere familieleden van eiser in Nederland wonen, waardoor de belangen van de minderjarige broer niet zwaarder wegen dan het Dublinbesluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-behandelen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.