ECLI:NL:RBDHA:2022:14872

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2022
Publicatiedatum
23 januari 2023
Zaaknummer
NL22.3581
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 DublinverordeningArt. 8:84 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht aan Denemarken wegens verlenging overdrachtstermijn

Verzoeker, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, is onderwerp van een geplande overdracht aan Denemarken op grond van de Dublinverordening. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de overdrachtstermijn verlengd tot 18 maanden omdat verzoeker zogenaamd ondergedoken zou zijn, wat door verzoeker wordt betwist. Verzoeker stelt dat de verlenging onterecht is en dat zijn asielaanvraag door Nederland moet worden behandeld.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het geschil over de juridische kwalificatie en grondslag van de verlenging niet in deze voorlopige voorziening kan worden behandeld en beperkt zich daarom tot een belangenafweging. Gezien het spoedeisende karakter en het risico dat verzoeker onterecht wordt overgedragen als de verlenging niet rechtsgeldig is, weegt het belang van verzoeker zwaarder dan dat van de staatssecretaris.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de overdracht aan Denemarken wordt verboden totdat de rechtbank inhoudelijk over het beroep heeft beslist. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden overgedragen aan Denemarken totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.3581

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij brief van 4 februari 2022 (de brief) heeft verweerder aan Denemarken medegedeeld dat de overdrachtstermijn is verlengd tot een periode van 18 maanden.
Verzoeker heeft tegen deze brief beroep (NL22.3580) ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

Spoedeisend belang
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [1]
2.1.
Na kennisneming van het dossier en gelet op het feit dat de overdracht van verzoeker aan Denemarken gepland staat voor 11 april 2022, om 9:40 uur, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1992 en in het bezit te zijn van de Syrische nationaliteit. Zijn asielaanvraag is door verweerder niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk is. [2] Dit staat in rechte vast.
4. Bij brief van 4 februari 2022 heeft verweerder de Deense autoriteiten gemeld dat de overdracht van verzoeker niet kan plaatsvinden binnen de gestelde termijn van zes maanden, omdat verzoeker is ondergedoken. Verweerder heeft met deze brief de termijn verlengd tot een periode van in totaal 18 maanden. [3]
Wat zijn de standpunten van partijen?
5. Verzoeker stelt dat verweerder hem niet kan overdragen aan Denemarken, omdat de overdrachtstermijn is verstreken. Hij stelt dat verweerder de overdrachtstermijn onterecht heeft verlengd, omdat hij niet was ondergedoken. Verweerder dient zijn asielaanvraag in behandeling te nemen.
6. Verweerder stelt primair dat de brief van 4 februari 2022 geen besluit is waartegen verzoeker een rechtsmiddel kan instellen. Subsidiair stelt verweerder dat in het geval er wel sprake is van een besluit, verzoeker is ondergedoken en de overdrachtstermijn terecht is verlengd.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
7. Partijen zijn verdeeld over de juridische grondslag en kwalificaties van dit geval. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor de beoordeling van deze geschilpunten deze voorlopige voorziening zich niet leent en dat er beperkte tijd is om deze voorziening te beoordelen. Daarom beperkt de voorzieningenrechter zich tot een belangenafweging.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat een afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening betekent dat verzoeker wordt overgedragen aan Denemarken, terwijl niet is uit te sluiten dat de overdrachtstermijn is verlopen. In dat geval zou de geplande overdracht onterecht zijn. Met de toewijzing van het verzoek zou de geplande overdracht geannuleerd moeten worden, wat achteraf gezien misschien onterecht zou kunnen zijn. In het verlengde van dit laatste is echter relevant dat verweerder met de brief van 4 februari 2022 stelt dat de overdrachtstermijn is verlengd tot een periode van in totaal 18 maanden. Dit betekent dat als verweerders standpunt juist is, hij nog voldoende tijd heeft om de overdracht van verzoeker aan Denemarken te realiseren. Toewijzing van de voorlopige voorziening brengt dus geen verandering in de situatie van verweerder, terwijl afwijzing van de voorlopige voorziening mogelijk tot gevolg heeft dat verzoeker onterecht wordt overgedragen aan Denemarken. De voorzieningenrechter kent daarom doorslaggevend gewicht toe aan de belangen van verzoeker.
Wat is de conclusie?
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoeker niet aan de Deense autoriteiten wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.
10. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. [4] De voorzieningenrechter stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 759,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder verzoeker over te dragen aan Denemarken totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier.
De beslissing is op 8 april 2022 aan partijen telefonisch medegedeeld. De uitspraak is verder bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.
2.Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).
3.Zie artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
4.Zie artikel 8:84, vijfde lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.