ECLI:NL:RBDHA:2022:14722

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 augustus 2022
Publicatiedatum
17 januari 2023
Zaaknummer
NL22.15843
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, van Tunesische nationaliteit, kreeg op 15 augustus 2022 een maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.

De rechtbank behandelde het beroep op 22 augustus 2022. Eiser betwistte de gronden voor de bewaring niet, maar stelde dat een lichter middel dan vrijheidsberoving had moeten worden toegepast, aangezien hij zelf bereid was tot overdracht en vrijheidsberoving het zwaarste middel is.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de maatregel van bewaring oplegde, omdat eiser meerdere malen met onbekende bestemming vertrok en twee keer weigerde mee te werken aan een covid-test die noodzakelijk was voor zijn overdracht aan Duitsland. Hierdoor werd de overdracht gefrustreerd. Een lichter middel zou onvoldoende zijn geweest om het vertrek uit Nederland te waarborgen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.15843
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser moet worden overgedragen, maar hij heeft gezegd dat hij dat zelf wil doen. Eiser is de afgelopen tijd vaker in aanraking gekomen met het systeem waardoor twijfel kan bestaan, maar ook dan kun je kiezen voor bijvoorbeeld een vrijheidsbeperkende locatie. Dan wordt iemand niet van zijn vrijheid beroofd. Uiteindelijk is vrijheidsberoving het allerzwaarste middel, dat alleen wordt ingezet als het echt
noodzakelijk is en er geen enkel alternatief is.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van eiser terecht niet heeft volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser is namelijk meerdere malen met onbekende bestemming vertrokken en hij heeft twee keer geweigerd om mee te werken aan de covid-test die nodig is voor zijn overdracht aan Duitsland. Hierdoor heeft eiser zijn overdracht gefrustreerd. Tegen deze achtergrond heeft verweerder het niet aannemelijk mogen achten dat het vertrek van eiser uit Nederland zal worden gerealiseerd wanneer een lichter middel opgelegd zou worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 augustus 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.