ECLI:NL:RBDHA:2022:14707

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2022
Publicatiedatum
17 januari 2023
Zaaknummer
NL22.13457
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 67 Wet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring en schadevergoeding vreemdeling

Eiser, van Georgische nationaliteit, werd op 28 juni 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico's op het onttrekken aan toezicht en belemmering van uitzetting.

Verweerder heeft de bewaring op 11 juli 2022 opgeheven nadat eiser via het IOM vertrok. Eiser stelde beroep in tegen de bewaring en verzocht om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid.

De rechtbank oordeelde dat de gronden voor bewaring niet betwist werden, maar dat de door eiser aangevoerde verwijten over onzorgvuldigheid en onevenredigheid te vaag waren om inhoudelijk te behandelen. Tevens is het opheffen van de bewaring geen bewijs dat de bewaring van aanvang af onrechtmatig was.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.13457
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 11 juli 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
De zaak is op 25 juli 2022 ter zitting aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist.
Onzorgvuldigheid
5. In het aanvullend beroepschrift van 21 juli 2022 voert eiser aan dat het onderzoek dat heeft geleid tot de oplegging van de maatregel van bewaring onzorgvuldig is geweest en dat er sprake is geweest van een onevenredige belangenafweging. Verweerder heeft namelijk de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen van eiser niet zorgvuldig afgewogen en de gevolgen van oplegging van de maatregel van bewaring zijn voor eiser onevenredig nadelig. Volgens eiser heeft verweerder daarom niet in redelijkheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring kunnen komen.
6. Voor zover deze verwijten als beroepsgronden moeten worden aangemerkt (dit is niet duidelijk omdat deze verwijten niet specifiek als gronden worden aangeduid terwijl eiser dat in het aanvullend beroepschrift bij een andere grond wel doet), kunnen deze niet leiden tot een inhoudelijke behandeling. Daarvoor zijn deze gronden te algemeen en vaag geformuleerd. Een nadere uitleg en onderbouwing is nodig om te kunnen begrijpen wat in dit specifieke geval de verwijten zijn die eiser verweerder maakt en wat die verwijten in het onderhavige geval voor eiser hebben betekend. Deze nadere specificatie en onderbouwing missen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Opheffing
7. Eiser stelt verder dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld, omdat de bewaring is opgeheven. Uit het feit dat de maatregel van bewaring is opgeheven volgt volgens eiser dat deze van aanvang af niet opgelegd had mogen worden.
8. De rechtbank is van oordeel dat deze redenering onjuist is. In zijn algemeenheid kan niet gezegd worden dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is als deze op een later moment wordt opgeheven. In het geval van eiser is de maatregel van bewaring opgeheven, omdat hij via het IOM is vertrokken. Dat de maatregel is opgeheven, omdat eiser is vertrokken, betekent niet dat het opleggen van de maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is geweest. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 juli 2022

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.