ECLI:NL:RBDHA:2022:14694
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid gegronde vrees vervolging in Koerdische Autonome Regio
Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende zijn derde asielaanvraag in op 25 juni 2021. Verweerder stelde deze buiten behandeling, maar de rechtbank verklaarde het beroep hiertegen gegrond en gaf verweerder opdracht een nieuwe beslissing te nemen. Nadat verweerder te laat een besluit nam, stelde eiser hem in gebreke en startte een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
In het bestreden besluit van 15 juli 2022 wees verweerder de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond, ondanks dat hij het asielrelaas van eiser geloofwaardig achtte. Verweerder baseerde zich op het feit dat eiser een binnenlands vestigingsalternatief heeft in de Koerdische Autonome Regio (KAR), met name de provincie Duhok, en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie daar voor afvalligen en verwesterden is verslechterd.
Eiser voerde aan dat de beoordeling onzorgvuldig was omdat verweerder zich op Duhok richtte in plaats van op Makhmour, zijn laatste woonplaats. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling zorgvuldig was en dat verweerder terecht de situatie in de gehele KAR heeft betrokken. Uit diverse rapporten bleek dat de situatie voor afvalligen in de KAR relatief veilig is en dat er geen sprake is van een zodanig risico op vervolging of ernstige schade.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.