ECLI:NL:RBDHA:2022:14601
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-afname en verwerking bij minderjarige veroordeelde wegens lichte mishandeling
De veroordeelde, minderjarig ten tijde van het gepleegde misdrijf mishandeling, ontving een taakstraf van 16 uur en werd bevolen celmateriaal af te staan voor DNA-onderzoek. Zij maakte bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA, stellende dat het incident eenmalig en van geringe ernst was, en dat opname in de DNA-databank stigmatiserend werkt, zeker voor minderjarigen.
De officier van justitie herzag haar standpunt en concludeerde dat het bezwaar gegrond verklaard moest worden, gezien de bijzondere omstandigheden en het feit dat het misdrijf voorheen zonder DNA-afname zou zijn afgedaan.
De rechtbank oordeelde dat de uitzonderingssituatie van artikel 2 lid 1 Wet Pro DNA zich voordeed, omdat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zou zijn voor opsporing of vervolging, mede gelet op de geringe ernst, het ontbreken van recidivegevaar en de leeftijd van de veroordeelde. Het bezwaar werd gegrond verklaard en vernietiging van het celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname en verwerking wordt gegrond verklaard en het celmateriaal dient te worden vernietigd.