ECLI:NL:RBDHA:2022:14566
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning Brits burger wegens langdurig verblijf buiten Nederland na Brexit
Eiser, een Britse burger, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument op grond van het Terugtrekkingsakkoord nadat hij langer dan zes maanden aaneengesloten buiten Nederland verbleef. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van het akkoord, met name omdat hij zijn verblijf in Nederland niet voortzette na de overgangsperiode.
Eiser voerde aan dat het begrip 'hoofdverblijf' onterecht werd toegepast en dat de peildatum verkeerd werd geïnterpreteerd. De rechtbank oordeelde dat het begrip 'hoofdverblijf' niet relevant is en dat de peildatum correct werd gehanteerd volgens het akkoord en de Verblijfsrichtlijn.
Verder stelde eiser dat er sprake was van een belangrijke reden voor zijn afwezigheid, namelijk familiehulp in Thailand en de coronapandemie, maar de rechtbank vond deze redenen onvoldoende onderbouwd en niet passend binnen de uitzonderingen.
Ten slotte stelde eiser dat hij niet is gehoord in de bezwaarfase, maar deze beroepsgrond werd wegens schending van de goede procesorde niet in behandeling genomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de aanvraag af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt afgewezen.