ECLI:NL:RBDHA:2022:14527
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiser heeft een visum kort verblijf aangevraagd om zijn broer en schoonzus in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd door de Minister van Buitenlandse Zaken afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het doel van het verblijf en onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.
De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar studeert en een opleiding volgt, maar geen substantieel inkomen heeft en geen sterke sociale banden zoals een eigen gezin of zorgtaken die terugkeer naar Marokko waarborgen. De garantstelling was onvolledig ingevuld en kon daarom niet als extra waarborg dienen.
De rechtbank concludeert dat de afwijzing terecht was op grond van de Visumcode, omdat gerede twijfel bestond over de terugkeer van eiser. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende binding met het land van herkomst.