Eiser, een minderjarige Syrische nationaliteit, diende op 7 juli 2021 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser sinds 9 juni 2021 internationale bescherming geniet in Roemenië. De rechtbank oordeelde dat eiser een sterke band met Roemenië heeft en het redelijk is dat hij daar terugkeert.
Eiser voerde aan dat hij slechts kort in Roemenië verbleef, geen voogdij of scholing ontving en geen familie daar heeft, en dat zijn banden met Nederland sterker zijn. De rechtbank stelde vast dat verweerder alle relevante feiten heeft meegewogen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Ook is het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing.
Verder werd overwogen dat eiser zelf vroegtijdig de opvang in Roemenië verliet en zijn rechten als statushouder niet heeft geëffectueerd. De mogelijkheid tot gezinshereniging met zijn moeder in Roemenië is aanwezig. De belangen van het kind zijn meegewogen en er is geen reden om aan te nemen dat eiser in Roemenië in een onveilige situatie terechtkomt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.