Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:14474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2022
Publicatiedatum
5 januari 2023
Zaaknummer
C/09/639466 / JE RK 22-2571
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onder toezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Den Haag heeft op 22 december 2022 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van één jaar. Dit besluit volgt op een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming vanwege ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige.

De minderjarige vertoont grenzeloos en zelfbepalend gedrag, is zonder toestemming van de ouders getrouwd met haar neef en heeft een belaste voorgeschiedenis, waaronder vermoedens van seksueel misbruik door de vader. Het contact met de vader is jaren stilgelegd en de relatie met de moeder is moeizaam met regelmatig escalaties. De minderjarige heeft op verschillende plekken gewoond en vertoont hechtingsproblematiek en mogelijk trauma.

De kinderrechter acht de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing aanwezig, mede omdat de ouders onvoldoende in staat zijn de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Het verblijf bij de schoonouders wordt als onwenselijk gezien vanwege eerdere instabiliteit. De minderjarige wordt geplaatst in een jeugdhulpaccommodatie waar passende behandeling kan worden gestart.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is vastgesteld op één jaar, met het oog op de tijd die nodig is voor behandeling en het vinden van een geschikte vervolgplek.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en machtigt uithuisplaatsing voor de duur van één jaar wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/639466 / JE RK 22-2571
Datum uitspraak: 22 december 2022

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 9 december 2022 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,
betreffende:

[minderjarige] geboren op [geboortedag] 2006 te [geboortedatum] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Op 22 december 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
- mevrouw [verbalisant] , namens de gecertificeerde instelling;
- de moeder.
[minderjarige] is op 22 december 2022 in raadkamer gehoord.
De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Feiten

- Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
- [minderjarige] verblijft feitelijk in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [verblijfplaats] .

Verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige] heeft een belaste voorgeschiedenis. De ouders zijn gescheiden en er zijn vermoedens van seksueel misbruik door de vader in het verleden. Hierdoor heeft het contact tussen de vader en [minderjarige] enkele jaren stilgelegen. Daarnaast verloopt de relatie tussen de moeder en [minderjarige] moeizaam en vinden er regelmatig escalaties plaats. [minderjarige] heeft hierdoor op veel verschillende plekken gewoond. Verder zijn er zorgen over mogelijk trauma en hechtingsproblematiek die bij [minderjarige] speelt. [minderjarige] laat de afgelopen tijd in toenemende mate grenzeloos en zelfbepalend gedrag zien. Zij is zonder toestemming van de ouders getrouwd met haar zevenentwintigjarige neef en er zijn hierdoor zorgen dat zij onvoldoende toekomt aan haar ontwikkeling. [minderjarige] houdt zich niet aan de afspraken bij [verblijfplaats] en daarom is besloten dat [minderjarige] naar een andere plek overgeplaatst moet worden. Er wordt ondertussen hard gezocht naar een passende vervolgplek waar [minderjarige] behandeling kan krijgen. Hulpverlening in het vrijwillig kader is tot op heden ontoereikend gebleken. De Raad vindt het noodzakelijk dat [minderjarige] op een neutrale plek verblijft waar zij kan werken aan haar ontwikkeling. Het is van belang dat [minderjarige] zelfstandiger leert worden en meer stabiliteit in haar leven creëert. Een jeugdbeschermer kan haar hierbij helpen en de nodige hulpverlening inzetten.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad.
De moeder heeft ingestemd met het verzoek en vindt het belangrijk dat een jeugdbeschermer betrokken raakt die zicht kan blijven houden op [minderjarige] en haar kan helpen met beslissingen maken. De moeder maakt zich zorgen over het huwelijk dat [minderjarige] is aangegaan met haar neef en dat zij onvoldoende de gevolgen van haar handelen op de lange termijn inziet. Het is belangrijk dat [minderjarige] leert om zelfstandig te zijn en niet de rest van haar leven afhankelijk blijft van haar man.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, en artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn.
Daartoe overweegt de kinderrechter dat er ernstige zorgen zijn over de verstoorde verstandhouding tussen [minderjarige] en de ouders. [minderjarige] heeft al enkele jaren geen contact met de vader en de escalaties tussen de moeder en [minderjarige] blijven oplopen. Er lijkt sprake te zijn van een verstoorde ouder-kindrelatie, waarbij het onderling vertrouwen beschadigd is en er hechtingsproblematiek is ontstaan. Ook heeft [minderjarige] mogelijk trauma opgelopen door de gebeurtenissen uit het verleden (onder meer vermeend seksueel misbruik). Verder zijn er zorgen over het gedrag dat [minderjarige] de afgelopen tijd vertoont. Zij laat steeds vaker grenzeloos en zelfbepalend gedrag zien. [minderjarige] is zonder toestemming van haar ouders getrouwd met haar neef. Zij conformeert zich daarnaast niet aan de regels en afspraken waardoor zij overgeplaatst moet worden vanaf de plek bij [verblijfplaats] naar een andere plek. Het lukt de ouders onvoldoende om op eigen kracht de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen, ondanks hun inzet hiervoor de afgelopen jaren (Leidse jeugdteams, CIT en [verblijfplaats] ).
De kinderrechter deelt de mening van de Raad dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is dat zij bij haar man (en zijn ouders) gaat wonen (zoals zij zelf graag zou willen), omdat zij daar eerder is weggestuurd en er toen soms sprake was van moeizame verhoudingen. De verwachting van de kinderrechter is dat permanent bij de schoonouders wonen (weer) veel instabiliteit met zich zal brengen. [minderjarige] zit middenin haar ontwikkeling en het is van belang dat zij hier op een neutrale plek aan toe kan komen. Het is noodzakelijk dat zij stabiliseert en zelfstandig leert worden. De komende periode is het van belang dat een passende plek voor [minderjarige] wordt gevonden waar een adequate, passende behandeling wordt opgestart om haar ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Gelet op de tijd die naar verwachting gemoeid zal zijn met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging en het vinden van een geschikte vervolgplek, is de verzochte duur van een jaar passend. De kinderrechter zal de verzoeken daarom toewijzen zoals verzocht.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige] van 22 december 2022 tot 22 december 2023 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
en
machtigt Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 22 december 2022 tot 22 december 2023, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2022 door mr. E.J. Stalenberg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D.W.E. van Reisen als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 januari 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.