ECLI:NL:RBDHA:2022:14453
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing proceskostenvergoeding na intrekking besluit machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster had een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen gekregen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na het ongegrond verklaren van haar bezwaar stelde verzoekster beroep in tegen dit besluit. Tijdens de beroepsprocedure trok verweerder het bestreden besluit in nadat verzoekster aanvullende documenten had ingediend.
Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft beoordeeld of de intrekking van het besluit kan worden aangemerkt als tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat een grond zou vormen voor proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking niet voortkwam uit erkenning van onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit, maar vanwege nieuwe feiten en informatie die buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vielen. Daarom is geen sprake van tegemoetkomen en is het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Verzoekster is geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de intrekking van het besluit niet als tegemoetkomen wordt gezien.