Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Egyptische asielzoeker, diende op 10 juni 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 28 april 2022 al een asielaanvraag in Oostenrijk had ingediend. Op grond van de Dublinverordening is Oostenrijk verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser voerde aan dat hij hulpbehoevend is en dat zijn zus in Nederland als mantelzorger voor hem zorgt, waardoor sprake zou zijn van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Hij stelde dat zijn zus niet naar Oostenrijk kan verhuizen vanwege haar eigen gezin.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn medische situatie onvoldoende met documenten had onderbouwd en dat het niet aannemelijk was dat hij volledig afhankelijk is van zorg van zijn zus, mede omdat ook anderen zorg kunnen verlenen. Daarom is geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie die een uitzondering op de Dublinverordening rechtvaardigt.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.