Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
[de man01] ,
[de vrouw01] ,
hierna te noemen: de moeder,
beide wonende te [woonplaats01] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor zes maanden, wegens zorgen over de opvoedsituatie en gedragsproblemen. De minderjarige verbleef feitelijk bij zijn oom en oma vaderszijde, waar hij meer tot rust leek te zijn gekomen.
De ouders maakten veel ruzie en er was sprake van verbaal en soms fysiek geweld. De hulpverlening in het vrijwillige kader was niet van de grond gekomen omdat de ouders niet openstonden voor hulp. De minderjarige vertoonde externaliserend gedrag, spijbelde veel en was in aanraking gekomen met de politie.
De vader en moeder gaven aan dat de situatie verbeterd was, de minderjarige ging naar school en sportte, en kwam enkele dagen per week bij de ouders. De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet voldoende aanwezig waren. De situatie leek gestabiliseerd en de hulpverlening kon via andere wegen worden voortgezet.
Daarom wees de kinderrechter het verzoek af en besloot geen machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De beschikking werd op 15 november 2022 mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 15 december 2022.
Uitkomst: Verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige is afgewezen.