ECLI:NL:RBDHA:2022:13972
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en op geld waardeerbare activiteiten
Eiseres ontving een bijstandsuitkering die door verweerder werd herzien en teruggevorderd over de periode van 28 juli 2019 tot en met 6 november 2019. Verweerder stelde dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met [A], die erkend is als ouder van een van haar kinderen, en dat vanuit haar woning op geld waardeerbare activiteiten, namelijk handel in drugs, werden verricht. Eiseres betwistte deze feiten en stelde onder meer dat [A] geen hoofdverblijf in haar woning had en dat de drugs voor persoonlijk gebruik waren.
De rechtbank oordeelde dat uit verklaringen van derden en een bestuurlijke rapportage voldoende bewijs bestond dat [A] gedurende de periode zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had, waardoor een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding ontstond. Tevens werd geoordeeld dat de handel in drugs vanuit de woning aannemelijk was, mede gebaseerd op eerdere uitspraken van de voorzieningenrechter en observaties van verbalisanten.
Eiseres had haar inlichtingenplicht geschonden door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde en dat er op geld waardeerbare activiteiten plaatsvonden. De rechtbank verwierp haar argumenten over hoor en wederhoor, verbod van reformatio in peius en uitwijkjurisprudentie. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.