ECLI:NL:RBDHA:2022:13903
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens onvoldoende bewijs seksueel geweld
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg wijziging van zijn verblijfsvergunning regulier van verblijf als gezinslid naar niet-tijdelijke humanitaire gronden, omdat zijn relatie met zijn partner was verbroken door seksueel geweld waarvan hij slachtoffer zou zijn. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van voldoende bewijs dat het geweld heeft plaatsgevonden en dat dit de relatie heeft verbroken.
De rechtbank oordeelt dat de door eiser overgelegde stukken, waaronder een algemene brochure over seksueel geweld, een afsprakenkaart van een politiegesprek en medische gegevens, onvoldoende concreet en objectief bewijs vormen. Er is geen proces-verbaal van aangifte of opsporingsonderzoek, en de medische informatie is niet recent en sluit niet aan bij de datum van relatiebeëindiging.
Eiser stelde dat hij meerdere meldingen bij de politie had gedaan, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook het beroep dat verweerder de hoorplicht zou hebben geschonden, faalt omdat eiser geen wezenlijk andere bezwaren heeft ingebracht en geen verzoek tot hoorzitting heeft gedaan.
De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van seksueel geweld dat tot de verbreking van de relatie heeft geleid en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van seksueel geweld en relatiebreuk, waardoor de aanvraag verblijfsvergunning niet wordt toegewezen.