ECLI:NL:RBDHA:2022:13798
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens onvoldoende familierechtelijke relatie en afhankelijkheid
Eiseres, met de Venezolaanse en Ecuadoraanse nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland en verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van haar relatie met haar zus in Nederland. Na een eerdere gedeeltelijke vernietiging van een besluit door de rechtbank, wees de Staatssecretaris de aanvraag opnieuw af, stellende dat de familierechtelijke relatie en de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie niet waren aangetoond.
Eiseres betoogde dat de Staatssecretaris onzorgvuldig had gehandeld door geen nieuw voornemen te geven en dat zij aanvullende medische verklaringen had overgelegd die haar zorgplicht voor haar zus onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een nieuw voornemen niet onzorgvuldig was en dat eiseres de relatie niet met originele documenten had onderbouwd.
Verder concludeerde de rechtbank dat de medische stukken dateren van vóór het verblijf van de zus in Nederland en dat er onvoldoende bewijs is voor een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De aanwezigheid van een partner van de zus en het zelfstandig functioneren van de zus in Nederland ondermijnen het betoog van eiseres.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard.