ECLI:NL:RBDHA:2022:13509
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent woonprobleem en rechtvaardige woonruimteverdeling
Eiser heeft na een scheiding geen zelfstandige woonruimte kunnen vinden en woont momenteel bij een kennis, waardoor hij zijn kinderen niet kan ontvangen en zijn psychische gesteldheid verslechtert. Hij vroeg een urgentieverklaring aan, maar het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze af op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en bijbehorende beleidsregels.
De rechtbank overwoog dat verweerder beleidsvrijheid heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het beleid gericht is op een rechtvaardige verdeling van de schaarse woningvoorraad. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, omdat er geen sprake is van een urgent woonprobleem en een scheiding niet als zodanig wordt aangemerkt. Ook de psychische problemen van eiser rechtvaardigen volgens het beleid geen urgentie.
Verder stelde de rechtbank dat artikel 8 EVRM Pro geen positieve verplichting tot het verstrekken van een urgentieverklaring inhoudt en dat het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder weegt dan het individuele belang van eiser. De toepassing van de hardheidsclausule is voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen, wat hier niet aan de orde is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg het griffierecht niet terug. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.