ECLI:NL:RBDHA:2022:13446
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag faciliterend visum voor vader die bij zoon wil verblijven wegens onvoldoende bewijs ten laste komen
Eiser, een 65-jarige man uit Pakistan, verzocht om een faciliterend visum om bij zijn zoon in Nederland te verblijven. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij ten laste kwam van zijn zoon. Volgens de verblijfsrichtlijn en het Terugtrekkingsakkoord moet een familielid aantonen dat materiële ondersteuning noodzakelijk en reëel is.
Eiser overhandigde diverse documenten, waaronder banktransacties en verklaringen van vrienden, om financiële steun aan te tonen. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende inzicht boden in de sociale en economische situatie van eiser en niet duidelijk maakten dat de steun noodzakelijk was om in zijn basisbehoeften te voorzien. Daarnaast was niet duidelijk hoe de overige kosten van het huishouden werden gedekt.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht van mening was dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij ten laste kwam van zijn zoon. Ook was het horen van eiser en zijn zoon in de bezwaarprocedure niet verplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen faciliterend visum.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een faciliterend visum wordt afgewezen.