ECLI:NL:RBDHA:2022:13370
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-inbehandelingneming asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende een beroep in tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit was gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 6 mei 2022 in Oostenrijk een asielaanvraag had ingediend.
De staatssecretaris verzocht Oostenrijk om terugname van eiser op grond van de Dublinverordening. Na een aanvankelijke afwijzing accepteerden de Oostenrijkse autoriteiten het verzoek op 15 juli 2022. Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, onder meer vanwege streng gezinsherenigingsbeleid in Oostenrijk en beperkte rechtshulp.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waardoor Nederland mag vertrouwen op de naleving van Europese regelgeving door Oostenrijk. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat deze veronderstelling niet op hem van toepassing is. De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die Nederland zouden verplichten de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag aan zich te trekken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter K.M. de Jager en griffier E.C. Jacobs op 6 december 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.