ECLI:NL:RBDHA:2022:1336

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2022
Publicatiedatum
22 februari 2022
Zaaknummer
NL22.795
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens veilige status Marokko als land van herkomst

Eiser heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep samen met een andere zaak en deed mondeling uitspraak.

Verweerder stelde primair dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat eiser de woonruimte van het COA zelfstandig had verlaten en met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank concludeerde echter dat eiser nog steeds belang heeft bij de beoordeling van het beroep, gelet op zijn verblijf in Amsterdam en contact met zijn gemachtigde.

De rechtbank oordeelde dat de door eiser aangevoerde incidenten in Marokko, waaronder een aanrijding en een mesaanval, niet leiden tot een aannemelijke vrees voor vervolging of geweld. Ook de aanvullende elementen zoals vermeende maatschappelijke gevolgen en lichamelijke mishandeling werden niet als voldoende gegrond beschouwd om Marokko niet als veilig land van herkomst te bestempelen.

Daarmee werd het beroep ongegrond verklaard en de aanvraag tot asiel afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Marokko als veilig land van herkomst wordt beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.795
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

ProcesverloopBij besluit van 17 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.796, op 11 februari 2022 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Verweerder heeft zich op – primair – op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, naar aanleiding van een melding van het COA, DT&V en de vreemdelingenpolitie dat eiser op 18 januari 2022 de woonruimte van het COA zelfstandig heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken.
Niet in geschil is dat eiser op 18 januari 2022 de woonruimte van het COA heeft verlaten en met voor verweerder onbekende bestemming is vertrokken. Eisers gemachtigde heeft de rechtbank op 3 februari 2022 schriftelijk bericht in reactie op verweerders MOB-melding, dat eiser in Amsterdam verblijft en dat eiser op 1 februari 2022 nog via mail contact heeft gezocht met de gemachtigde. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen en leidt hieruit af dat eiser nog altijd internationale bescherming wenst in Nederland. Gelet hierop wordt aangenomen dat eiser belang heeft bij de beoordeling van het beroep.
Het beroep is daarom ontvankelijk.
2. Verweerder heeft aan de hand van eisers verklaringen de relevante asielmotieven geïnventariseerd en deze geloofwaardig bevonden. Gevolgd wordt door verweerder dat eiser, op een niet nader aangeduid tijdstip, in Marokko is aangereden door een automobilist en dat hij in mei of juni 2016 door drie mannen is aangevallen met een mes, nadat hij een meisje had aangesproken.
In de zienswijze stelt eiser dat niet deze twee incidenten, maar juist twee andere elementen als relevant moeten worden onderscheiden. Eiser zou maatschappelijke gevolgen hebben te vrezen, omdat hij zou hebben gefigureerd in een film waarvan hij later te horen heeft gekregen dat dit een pornofilm was. Daarnaast stelt hij op een ochtend te zijn ontwaakt in zijn ouderlijk huis terwijl zijn lichaam onder de krassen en wonden zat.
Voor zover eiser in zijn aanvullend beroepschrift stelt dat deze laatste gebeurtenis de hoofdreden voor vertrek uit Marokko was, heeft verweerder er terecht op gewezen dat niet valt in te zien waarom eiser dit niet al tijdens zijn gehoor naar voren heeft gebracht.
3. Verweerder heeft in het bestreden besluit verder gemotiveerd waarom eisers verklaringen over de in de zienswijze centraal gestelde gebeurtenissen evenmin leiden tot aannemelijke vrees en de noodzaak van asielrechtelijke bescherming.
Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat deze gebeurtenissen niet leiden tot de noodzaak van internationale bescherming omdat Marokko is te beschouwen als een veilig land van herkomst. Eiser betwist de geldigheid van de aanwijzing als zodanig van Marokko niet. Verder is niet in geschil dat eiser niet behoort tot de categorieën van personen die van deze aanwijzing zijn uitgezonderd.
4. De enkele stelling in beroep dat de algemene veiligheid in Marokko genuanceerd anders moet worden bezien, is onvoldoende voor de conclusie dat Marokko voor eiser niet kan worden gezien als veilig land van herkomst. Verweerder heeft ook overigens terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko voor hem persoonlijk niet veilig is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een gefundeerde vrees heeft opnieuw slachtoffer te worden van geweld waartegen de Marokkaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen.
5. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.