ECLI:NL:RBDHA:2022:13320

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
NL22.19927 en NL22.19928
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens verlopen overdrachtstermijn in asielprocedure

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit was gebaseerd op de stelling dat Duitsland verantwoordelijk was voor de behandeling van haar aanvraag. De Duitse autoriteiten hadden op 16 mei 2022 ingestemd met de overname van het asielverzoek.

Tijdens de zitting op 17 november 2022 bleek echter dat de overdrachtstermijn van zes maanden was verstreken op 16 november 2022, waardoor Nederland weer verantwoordelijk werd voor de behandeling van de aanvraag. Hierdoor heeft eiseres geen belang meer bij de inhoudelijke behandeling van haar beroep, wat leidt tot niet-ontvankelijkheid.

De rechtbank veroordeelde de verweerder tot betaling van proceskosten wegens het niet tijdig realiseren van de overdracht binnen de wettelijke termijn. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep is beslist. Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verlopen overdrachtstermijn; verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.19927 (beroep) en NL22.19928 (voorlopige voorziening)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer / voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres en verzoekster], eiseres en verzoekster

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.H.M. Handring),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de voorlopige voorziening, op 17 november 2022 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres was via een telefonische verbinding aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van: € 1.518,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen.

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Volgens hem is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling daarvan [1] . Op 16 mei 2022 zijn de Duitse autoriteiten akkoord gegaan met de overname van het asielverzoek van eiseres.
2. Ter zitting is gebleken dat de overdrachtstermijn een dag voor zitting, op 16 november 2022, is verlopen. Daarmee staat vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Dit betekent dat met het beroep niet meer kan worden bereikt wat eiseres heeft getracht te bereiken. Eiseres heeft daarom geen belang bij een inhoudelijke behandeling van het beroep.
3. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk.
4. Wel is er reden voor een proceskostenveroordeling, omdat verweerder de overdracht van eiseres niet heeft kunnen verwezenlijken binnen de daarvoor geldende overdrachtstermijn van zes maanden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).
5. Nu op het beroep is beslist, is er geen reden meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2022 door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 20, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.