ECLI:NL:RBDHA:2022:13169
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te verklaren.
De voorzieningenrechter heeft het verzoekschrift beoordeeld en vastgesteld dat het geen gronden bevatte, hetgeen vereist is op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoeker is vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken alsnog gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie ontvangen.
Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk is behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.