ECLI:NL:RBDHA:2022:13154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2022
Publicatiedatum
8 december 2022
Zaaknummer
AWB 22/391
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Verzoeker heeft bij besluit van 29 december 2021 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen gekregen. Na bezwaar en een daarop volgend besluit van 8 maart 2022 waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, heeft verzoeker beroep ingesteld. Tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening bleek dat het verzoekschrift geen gronden bevatte, hetgeen een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brieven van 11 en 28 februari 2022 verzocht alsnog gronden in te dienen, maar hierop is geen reactie ontvangen. Hierdoor is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk is behandeld.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 22/391

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer],
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 8 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft beroep (AWB 22/2137) ingesteld tegen het bestreden besluit. Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het verzoek gelijkgesteld met een verzoek hangende dit beroep.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 8:81, vierde lid, van de Awb bevat het verzoekschrift ten minste de gronden van het verzoek. Dat zijn de redenen waarom er om een voorlopige voorziening wordt verzocht.
2. Als er geen gronden worden ingediend, kan de voorzieningenrechter op grond van artikel 6:6 en Pro artikel 8:81, vierde lid, van de Awb het verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Dat houdt in dat het verzoek niet inhoudelijk wordt behandeld. De voorzieningenrechter moet dan wel eerst een mogelijkheid tot herstel bieden.
3. Het verzoekschrift van verzoeker bevat geen gronden. Daarom heeft de voorzieningenrechter bij brieven van 11 en 28 februari 2022 aan verzoeker gevraagd om gronden in te dienen. Op deze brieven is geen reactie gekomen.
4. Gelet hierop is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op de hieronder vermelde datum en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.