ECLI:NL:RBDHA:2022:13039

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2022
Publicatiedatum
6 december 2022
Zaaknummer
NL22.11786
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende vreemdeling, werd op 22 juni 2022 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat er een concreet aanknopingspunt was voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser voerde aan dat het gehoor voor de inbewaringstelling te kort was, dat hij bereid was zelfstandig naar Italië te reizen en dat de detentiegeschiktheid pas na inbewaringstelling was getoetst. De rechtbank oordeelde dat het gehoor adequaat was, de bereidheid tot reizen niet leidde tot een lichter middel vanwege gebrek aan middelen, en dat het medisch onderzoek na inbewaringstelling bevestigde dat eiser detentiegeschikt was.

De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel niet waren betwist en dat de procedure en toetsing rechtmatig waren verlopen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.11786
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen
R.O. Luesink Obasuyi Ugiagbe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, niet betwist.
Het gehoor voor de inbewaringstelling
4. Eiser voert aan dat het gehoor voor de inbewaringstelling te kort is geweest. Hierdoor heeft eiser niet zijn hele verhaal kunnen doen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft vragen gesteld die zien op de gronden van de maatregel van bewaring en eiser heeft deze vragen beantwoord. Eiser heeft niet gespecificeerd op welke aspecten hij onvoldoende is bevraagd of op welke aspecten hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om te verklaren. De rechtbank ziet geen gebrek in het gehoor voor de inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat hij heeft aangegeven dat hij bereid is om zelfstandig naar Italië te reizen. Volgens hem had verweerder hieraan aanleiding moeten zien om te onderzoeken of had kunnen worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen volgt in beginsel uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen. Deze heeft eiser niet betwist. Vooral van belang is daarbij dat eiser niet beschikt over middelen om zijn reis naar Italië te bekostigen. Zijn enkele verklaring dat hij zelfstandig naar Italië wil reizen, heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven geven om te volstaan met het opleggen van een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Detentiegeschiktheid
8. Eiser voert aan dat er bij het opleggen van de maatregel van bewaring nog uitsluitsel was over de vraag of hij detentiegeschikt was. Pas ná het opleggen van de maatregel heeft een arts hiernaar onderzoek gedaan.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat eiser enige tijd nadat hij in bewaring was gesteld door een arts is onderzocht op zijn detentiegeschiktheid. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat er geen belemmeringen waren voor eiser om de maatregel van bewaring te ondergaan. Hieruit kan worden afgeleid dat dit ook het geval was op het moment dat eiser in bewaring werd gesteld. Eén en ander is door eiser niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
08 juli 2022
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. R.J.A. Schaaf M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.