ECLI:NL:RBDHA:2022:12964

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
5 december 2022
Zaaknummer
NL22.23439
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b lid 1 VwArt. 5.1b lid 3 en 4 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet bij asielzoeker

De zaak betreft een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd aan een asielzoeker op grond van artikel 59b lid 1 onder b van de Vreemdelingenwet. De maatregel is ingesteld omdat eiser zonder visum naar Nederland is gekomen, zich aan toezicht heeft onttrokken, geen gevolg heeft gegeven aan een terugkeerbesluit en onrechtmatig heeft gewerkt.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel en concludeert dat de gronden voor bewaring, zowel de zware als lichte gronden, voldoende zijn gemotiveerd en aannemelijk maken dat er een risico op onttrekking bestaat. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet hoefde te volstaan met een lichter middel, mede omdat eiser niet meewerkt aan zijn vertrek en de persoonlijke omstandigheden dit niet rechtvaardigen.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier N.H. de Zeeuw en is gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.23439

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend het beroep schriftelijk te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek op 23 november 2022 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb [2] , als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Verweerder heeft te kennen gegeven de zware grond 3e niet langer te handhaven, zodat deze grond geen bespreking meer hoeft. Verweerder handhaaft de overige gronden en stelt zich op het standpunt dat deze gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd kunnen worden en de maatregel kunnen dragen.
4. Eiser voert in beroep aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, aangezien hij asiel wil krijgen in Nederland en dus alle belang heeft bij het zich niet onttrekken aan het toezicht. Eiser heeft het bestreden besluit voor het overige niet inhoudelijk betwist. De rechtbank is echter gehouden de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen. [3]
5. Verweerder heeft terecht al de overige zware gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser is immers zonder het daartoe vereiste visum naar Nederland gekomen om te werken. Hij heeft vervolgens geen melding gemaakt van zijn verblijf. Aan eiser is verder een terugkeerbesluit opgelegd waar hij geen gevolg aan heeft gegeven. Eiser heeft tot slot ook in het gehoor van 16 november 2022 verklaard dat hij niet terug wil naar Oezbekistan en niet mee zal werken aan zijn vertrek.
6. Verweerder heeft verder al de lichte gronden voldoende gemotiveerd aan de maatregel ten grondslag gelegd. Zo heeft eiser geen gevolg gegeven aan het terugkeerbesluit en heeft hij ook geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Eiser verblijft verder in een hostel in Rotterdam en staat niet ingeschreven in Nederland. Verweerder heeft ook gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn uitreis zal kunnen bekostigen. Eiser heeft zich daarnaast onwettig op de arbeidsmarkt begeven en deze onwettige situatie in stand gehouden. Verweerder heeft hieruit terecht afgeleid dat het aannemelijker is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en zich dus ook niet aan zijn vertrek zal houden, dan dat hij uit eigen beweging vertrekt.
7. De gronden die verweerder terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, zijn – in onderlinge samenhang bezien – voldoende om aan te nemen dat een risico op onttrekking bestaat en kunnen de maatregel van bewaring dragen.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in het geval van eiser niet hoefde te volstaan met een lichter middel. Nu de gronden terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken gegeven. Verder heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom de bewaring noodzakelijk is en de persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende zijn voor de conclusie dat met een lichter middel kan worden volstaan. Eiser heeft deze motivering niet inhoudelijk betwist. Dat eiser zijn asielaanvraag mag afwachten in Nederland betekent ook niet dat verweerder van inbewaringstelling moest afzien, nu artikel 59b van de Vw voorziet in een grondslag voor de inbewaringstelling van asielzoekers. De rechtbank is ook niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor een andere conclusie of op grond waarvan de bewaring onevenredig bezwarend moet worden geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Tot slot heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet waarom sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven tot een andere conclusie.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.