ECLI:NL:RBDHA:2022:12934
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens voldoende huidig verblijfsrecht
Eiser, Mexicaans staatsburger en vader van drie kinderen, waaronder één minderjarige, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag werd afgewezen door verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, omdat eiser met zijn huidige verblijfsrecht reeds in staat is zijn privé- en familieleven in Nederland uit te oefenen.
Eiser voerde aan dat hij belang had bij de gevraagde vergunning om een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard op te bouwen, noodzakelijk voor naturalisatie na vijf jaar verblijf. Hij stelde dat het onredelijk was dat hij moest wachten tot zijn jongste kind meerderjarig is om aan deze voorwaarde te voldoen, en dat dit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van het unierecht.
De rechtbank overwoog dat het huidige verblijfsrecht, gebaseerd op het arrest Chavez-Vilchez, primair is bedoeld ter bescherming van het minderjarige kind van eiser. Hoewel eiser met de aanvraag zijn eigen belangen nastreeft, heeft hij feitelijk de mogelijkheid zijn privé- en familieleven uit te oefenen. De rechtbank verwierp het betoog over onredelijke wachttijd en stelde dat naturalisatievoorwaarden binnen de nationale bevoegdheid vallen en in de naturalisatieprocedure beoordeeld moeten worden.
Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.