ECLI:NL:RBDHA:2022:12774
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken is bij belastingzaken tussen verzoeker en de inspecteur van de Belastingdienst. Het wrakingsverzoek betrof twee gronden: het niet direct aanhouden van de zaak op verzoek van verzoeker en het niet inzien van stukken die verband houden met een verzoek tot geheimhouding op grond van artikel 8:29 Awb Pro.
De wrakingskamer oordeelde dat procedurele beslissingen, zoals het niet direct aanhouden van de zaak, in principe geen wrakingsgrond vormen tenzij sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Deze schijn was niet gesteld noch gebleken. Ook de uitleg van de rechter over het niet inzien van bepaalde stukken werd als een reguliere procedurele uitleg beoordeeld zonder aanwijzingen voor partijdigheid.
Verzoeker had tevens verzocht de behandeling van het wrakingsverzoek aan te houden om zittingsaantekeningen te bestuderen, maar de wrakingskamer vond dit niet noodzakelijk. De kamer wees het wrakingsverzoek af en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand zoals die was bij het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en de procedure wordt voortgezet.