ECLI:NL:RBDHA:2022:12522
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ondanks gezinsleven
Eiser, met de Angolese nationaliteit, vroeg op 10 juli 2019 een reguliere verblijfsvergunning aan voor verblijf bij familie- of gezinslid, namelijk zijn Nederlandse echtgenote en kinderen. De staatssecretaris wees deze aanvraag bij besluit van 31 januari 2020 af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Het bezwaar van eiser werd bij besluit van 20 mei 2022 ongegrond verklaard. Eiser stelde beroep in tegen dit bestreden besluit.
De rechtbank behandelde het beroep op 20 oktober 2022. Er werd vastgesteld dat tussen eiser en zijn familie sprake is van gezinsleven beschermd door artikel 8 EVRM Pro. Echter, verweerder handhaafde zijn afwijzing omdat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste. Wel werd aan eiser een verblijfsdocument EU/EER toegekend op grond van het recht van de Europese Unie, waarmee hij een afgeleid verblijfsrecht bezit.
De rechtbank oordeelde dat eiser belang heeft bij de beoordeling van het beroep, omdat een toekenning van de reguliere verblijfsvergunning hem eerder toegang tot een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en naturalisatie zou geven. Desalniettemin concludeerde de rechtbank dat het bestreden besluit geen ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven inhoudt, omdat het EU-verblijfsrecht het gezinsleven ongestoord mogelijk maakt en artikel 8 EVRM Pro geen recht geeft op een specifiek type verblijfsvergunning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de reguliere verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat eiser reeds verblijfsrecht heeft op grond van EU-recht.