ECLI:NL:RBDHA:2022:12491
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking persoonsgebonden budget wegens onjuiste besteding en schending inlichtingenplicht
Eiser, die diverse medische beperkingen heeft, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding en huishoudelijke ondersteuning. Tijdens een rechtmatigheidsonderzoek bleek dat eiser niet de gedeclareerde groepsbegeleiding ontving, maar meer individuele begeleiding, wat niet was geïndiceerd. Hierdoor gebruikte eiser het pgb voor andere zorg dan waarvoor het was toegekend.
Verweerder trok het pgb in op grond van schending van de inlichtingenplicht en het niet voldoen aan beheertaken, zoals het controleren van facturen. Eiser voerde aan dat het weigeren van een pgb een discretionaire bevoegdheid betrof en dat verweerder handelde in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door af te wijken van medisch advies.
De rechtbank oordeelde dat eiser onjuiste gegevens had verstrekt en het pgb niet voor het juiste doel had gebruikt. De rechtbank vond de intrekking terecht en wees het beroep af. Tevens werd vastgesteld dat verweerder een redelijke termijn had geboden om alsnog zorg in natura te ontvangen, maar dat eiser hiervan geen gebruik had gemaakt.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter C.G. Meeder en griffier S.M. Kraan op 23 november 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van het persoonsgebonden budget wordt ongegrond verklaard.