Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten, verweerder
[derde-partij], uit [woonplaats] , de vergunninghouder.
Rechtbank Den Haag
De vergunninghouder vroeg op 11 maart 2020 een omgevingsvergunning aan voor het plaatsen van een dakopbouw op zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten verleende deze vergunning op 7 mei 2020. Eiser, bewoner van de naastgelegen woning, maakte bezwaar tegen dit besluit vanwege zorgen over de constructieve veiligheid en mogelijke bouwkundige schade, en stelde dat de vergunning in strijd was met het bestemmingsplan en de welstandscriteria.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de aanvraag aan het Bouwbesluit 2012 heeft getoetst via een aannemelijkheidstoets en beschikte over constructieberekeningen die waren goedgekeurd door een onafhankelijk ingenieursbureau. Hoewel eiser een kritisch rapport overlegde, kon dit niet leiden tot twijfel aan de aannemelijkheid van de constructieve veiligheid. Daarnaast was het niet aannemelijk dat eiser door de latere aanlevering van aanvullende constructiedocumenten in zijn belangen was geschaad.
Ten aanzien van de stedenbouwkundige aspecten en het bestemmingsplan stelde de rechtbank vast dat de dakopbouw in redelijkheid kon worden toegestaan, mede gelet op de reeds aanwezige dakopbouwen in het woningblok. Het welstandsadvies, ondanks afwijking in dakhelling, was zorgvuldig en mocht door verweerder worden gevolgd. De bezwaren van eiser over aantasting van woon- en leefklimaat werden niet nader onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunning voor de dakopbouw wordt ongegrond verklaard.