ECLI:NL:RBDHA:2022:12265
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vergoeding van proceskosten na intrekking voorlopige voorziening
Verzoeker had een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot intrekking van zijn verblijfsvergunning en oplegging van een inreisverbod. Nadat het bezwaar van verzoeker gegrond werd verklaard, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft beoordeeld of verweerder aan verzoeker is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, hetgeen een voorwaarde is voor vergoeding van proceskosten bij intrekking van een voorlopige voorziening. Verweerder stelde dat het primaire besluit was herroepen, maar dat dit niet onrechtmatig was en zag daarom geen aanleiding tot vergoeding.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een tegemoetkoming die verband hield met het verzoek om voorlopige voorziening. Het besluit op bezwaar was niet het gevolg van het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom werd het verzoek tot vergoeding van proceskosten afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter zonder zitting en is onherroepelijk, aangezien tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming door verweerder.