ECLI:NL:RBDHA:2022:12172

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2022
Publicatiedatum
17 november 2022
Zaaknummer
NL22.18980
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 13 DublinverordeningArt. 21 DublinverordeningArt. 22 DublinverordeningArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Italië

Eiser diende op 28 januari 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder stelde vast dat eiser op 24 december 2021 in Italië was geregistreerd als illegaal verblijvende vreemdeling en dat Italië verantwoordelijk is voor de asielprocedure op grond van de Dublinverordening. Verweerder verzocht Italië om overname binnen de wettelijke termijnen, waarop Italië niet tijdig reageerde.

Eiser voerde aan dat er onduidelijkheid bestond over zijn inreisdatum en dat hij mogelijk eerder dan twaalf maanden geleden de EU was binnengekomen, en dat hij wel een asielaanvraag in Italië had gedaan. Deze stellingen werden door de rechtbank niet gegrond bevonden op basis van de stukken en verklaringen.

Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in het Italiaanse opvang- of asielproceduresysteem die overdracht zouden verhinderen. Ook de door eiser genoemde familiebanden en de vermeende lange duur van de besluitvorming leiden niet tot een andere uitkomst.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.18980
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr.. S. Brock).

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 28 januari 2022 in Nederland een asielaanvraag gedaan. Verweerder heeft aan de hand van de registratie in Eurodac vastgesteld dat eiser op 24 december 2021 in Italië is geregistreerd als illegaal verblijvende vreemdeling. Ook uit eisers eigen verklaring volgt dat hij rond die tijd via Italië het grondgebied van de Dublinlidstaten is binnengekomen en dat hij in Italië geen verzoek om internationale bescherming heeft gedaan.
2. De vermelding van de datum 24 januari 2022 in het aanmeldgehoor moet worden beschouwd als een kennelijke vergissing en stemt overeen met de overige verklaringen van eiser en de Eurodac-registratie. Gelet hierop en gelet op artikel 18, eerste lid, onder a, van de Dublinverordening heeft verweerder terecht aan de Italiaanse autoriteiten verzocht om overname van eiser op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit verzoek is gedaan op 7 maart 2022 en dus binnen de termijn van twee maanden genoemd in artikel 21 Dublinverordening Pro.
3. Verweerder heeft vervolgens terecht bepaald dat Italië verantwoordelijk is omdat de Italiaanse autoriteiten niet hebben gereageerd binnen de in artikel 22, eerste lid, van de Dublinverordening genoemde termijn van twee maanden na ontvangst van het overnameverzoek.
4. De stelling namens eiser dat door de vermelding van de datum 24 januari 2022 onduidelijkheid is ontstaan over het moment van inreizen in de Europese Unie en de enkele suggestie vervolgens dat hij misschien meer dan twaalf maanden daarvóór is ingereisd, evenals de suggestie dat hij wel een asielaanvraag heeft gedaan, is gelet op de stukken in het dossier en eisers verklaringen ter zitting, niet gefundeerd.
5. Verweerder heeft redelijkerwijs kunnen oordelen dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan hij van overdracht aan Italië zou moeten afzien.
6. Eiser heeft niet met documenten aannemelijk gemaakt dat in Italië sprake is van structurele aan het opvangsysteem of de asielprocedure verbonden tekortkomingen. Dergelijke tekortkomingen worden in de rechtspraak tot op heden niet afgeleid uit de door eiser algemeen aangeduide AIDA-rapportages over Italië. Ook uit eisers eigen ervaringen kan niet worden geconcludeerd dat hij bij overdracht aan Italië zal worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. Van belang hierbij is dat eiser in Italië niet heeft gevraagd om asiel.
7. Daargelaten de vraag of voldoende is onderbouwd dat eiser hier familie heeft, heeft verweerder afdoende gemotiveerd waarom dit er niet toe leidt dat Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek aan zich trekt. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Daarnaast is de Dublinverordening niet bedoeld voor reguliere gezinshereniging en is niet aannemelijk geworden dat dit uitgangspunt in het geval van eiser leidt tot onevenredige hardheid.
8. Dat eiser van mening is dat de besluitvorming van verweerder te lang op zich heeft laten wachten is evenmin reden om van overdracht af te moeten zien. Niet is gebleken dat de termijnen uit de Dublinverordening niet zijn gerespecteerd.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2022 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.