ECLI:NL:RBDHA:2022:11906
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling
Verzoeker heeft een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'familie en gezin' aangevraagd, welke door verweerder is afgewezen. Verzoeker stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De vader van verzoeker, die als referent fungeert, had een verblijfsvergunning die met terugwerkende kracht is ingetrokken. De vader is in beroep tegen deze intrekking en de rechtbank heeft hierover recent een uitspraak gedaan. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Verweerder heeft zich niet verzet tegen het verzoek om voorlopige voorziening en heeft verzocht het beroep van verzoeker aan te houden in afwachting van de uitspraak in het hoger beroep van de vader. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en kan worden uitgezet, maar dat uitzetting op dit moment moet worden verboden.
De voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting wordt verboden tot vier weken na de beslissing op het beroep. Het beroep wordt aangehouden tot de uitspraak in het hoger beroep van de vader. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoeker wordt verboden tot vier weken na uitspraak in hoger beroep van de vader.