ECLI:NL:RBDHA:2022:11767
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag Dublin Duitsland wegens termijnoverschrijding
Eiser, een Pakistaanse Ahmadi, diende op 21 maart 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat overdracht aan Duitsland indirect refoulement zou opleveren vanwege een ander beschermingsbeleid voor Ahmadi’s in Duitsland en overhandigde bewijsstukken ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat het beroepschrift te laat werd ingediend, ondanks een herstelmogelijkheid. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege een fout bij zijn gemachtigde, maar dit werd niet aanvaard. De rechtbank beoordeelde vervolgens of de feiten onmiskenbaar een schending van artikel 3 EVRM Pro opleverden, hetgeen niet het geval was.
Er werd vastgesteld dat er weliswaar verschillen zijn in het beschermingsbeleid tussen Nederland en Duitsland, maar dat deze niet evident en fundamenteel zijn. Eiser bracht geen concrete aanwijzingen naar voren dat de Duitse rechter hem niet zou beschermen tegen refoulement. Daarom was geen sprake van een reëel risico op indirect refoulement.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-behandelen van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en geen onmiskenbare schending van artikel 3 EVRM.