ECLI:NL:RBDHA:2022:11672
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot nakoming toevertrouwing minderjarige wegens gewijzigde omstandigheden en belangen
Partijen zijn gehuwd en hebben een minderjarige zoon, over wie een echtscheidingsprocedure loopt. De rechtbank had eerder voorlopige voorzieningen getroffen waarbij de minderjarige aan de vrouw werd toevertrouwd, maar na een incident verbleef het kind bij de man. De vrouw startte een kort geding om nakoming van de toevertrouwingsbeschikking af te dwingen, waarbij de voorzieningenrechter haar vordering deels toewijst.
De vrouw vordert vervolgens dwangmiddelen tegen de man om de nakoming af te dwingen, maar de voorzieningenrechter constateert gewijzigde omstandigheden: het kind woont inmiddels al vijf maanden bij de man en is daaraan gewend. Het contact tussen moeder en kind is broos en belast, mede door de druk die het kind voelt om terug te keren naar de moeder. De moeder wil bovendien verhuizen naar een recreatiewoning op afstand.
De voorzieningenrechter overweegt dat het belang van het kind voorop staat en dat het niet wenselijk is dat het kind opnieuw van hoofdverblijf wisselt. Gezien het vergevorderde stadium van de echtscheidingsprocedure en de feitelijke situatie wordt de vordering afgewezen. Wel wordt verwacht dat het kind regelmatig contact met de moeder onderhoudt onder voorwaarden. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot dwangmiddelen om nakoming van de toevertrouwingsbeschikking af te dwingen wordt afgewezen vanwege gewijzigde omstandigheden en het belang van het kind.