ECLI:NL:RBDHA:2022:11190
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublin-overdrachtzaak
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin aan Italië is meegedeeld dat de overdrachtstermijn is verlengd tot 18 maanden omdat verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 24 februari 2022 behandeld, waarbij verzoeker is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Communicatie vond plaats via telefonische tolken.
Gezien de uitspraak op het hoofdberoep (zaaknummer NL22.2098) is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door rechter P.J.M. Mol en griffier M.A.W.M. Engels op 8 maart 2022 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.