ECLI:NL:RBDHA:2022:11149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2022
Publicatiedatum
27 oktober 2022
Zaaknummer
NL21.20220
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 7 IVRKArt. 8 EVRMArt. 9 IVRKArt. 29 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en terugkeerbesluit ondanks lopend DNA-onderzoek minderjarige dochter

Eiseres, afkomstig uit Ghana, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor zichzelf en haar minderjarige dochter, geboren in Duitsland. Zij stelde dat zij in haar thuisland werd bedreigd door een familielid en vreest voor haar veiligheid bij terugkeer. De aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond omdat Ghana als veilig land van herkomst werd beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de Italiaanse nationaliteit van haar dochter, ondanks het feit dat de vermeende vader Italiaans is en bereid is tot een DNA-onderzoek. De rechtbank stelde dat verweerder geen onjuist toetsingskader hanteerde door dit niet mee te wegen in de procedure.

Verder concludeerde de rechtbank dat geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM Pro, omdat niet is aangetoond dat de belangen van de minderjarige dochter door het besluit worden geschaad. Het verzoek om aanhouding van de procedure in afwachting van het DNA-onderzoek werd afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het terugkeerbesluit en het inreisverbod voor eiseres en haar dochter. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20220
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer] , eiseres, mede namens haar minderjarige dochter:
[dochter] ,V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.20221, op 17 januari 2022 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Ghanese nationaliteit en is geboren op [1988] . Na haar vlucht is haar dochter [A] geboren in Duitsland op [2020] . [A] heeft ook de Ghanese nationaliteit.
2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij door een vriend van haar overleden ouders, meneer [B] , naar Nederland is gebracht. Eenmaal in Nederland sloot hij haar op en zijn er mannen langs geweest die door [B] waren geïnstrueerd om haar te verkrachten. Ze is ontsnapt, maar vreest dat zij bij terugkeer naar Ghana door hem gevonden zal worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen met mensensmokkelaar.
Verweerder heeft de relevante elementen geloofwaardig bevonden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres afkomstig is uit een veilig land van herkomst en om die reden geen vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw)
juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot heeft verweerder aan eiseres en haar dochter een terugkeerbesluit opgelegd met een onmiddellijke vertrektermijn en aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Vluchtelingschap en artikel 3 van Pro het EVRM
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar gronden van beroep niet is ingegaan op de standpunten uit het bestreden besluit die zien op haar eigen asielrelaas. Eiseres heeft in de gronden van beroep wel verzocht haar zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Verweerder heeft op deze standpunten immers in de besluitvorming gemotiveerd gereageerd en eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom deze motivering niet juist is, wat wel op haar weg had gelegen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de motivering op deze punten niet zou deugen.
5. Ten aanzien van de identiteit en nationaliteit van [A] , stelt eiseres dat verweerder een onjuist toetsingskader hanteert door te zeggen dat eiseres de Italiaanse nationaliteit van [A] op geen enkele wijze onderbouwt. Zij heeft verklaard dat [C] de vader van haar dochter is en hij heeft de Italiaanse nationaliteit. Ingevolge de werkinstructie 2014/10 hoeft de vreemdeling de relevante elementen van zijn asielaanvraag slechts aannemelijk te maken, en niet te bewijzen met stukken. Eiseres heeft weer contact met de heer [C] , en heeft een afspraak gemaakt voor een eerste ontmoeting tussen hem en [A] op 16 januari 2022. Gemachtigde heeft contact met de heer [C] en hieruit volgt dat de heer [C] bereid is mee te werken aan een DNA-onderzoek maar graag eerst gedurende 4 weken een aantal keren per week persoonlijk contact met [A] wenst te hebben.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door zich op het standpunt te stellen dat eiseres de Italiaanse nationaliteit van haar dochter [A] niet heeft onderbouwd. Eiseres heeft namelijk geen documenten overgelegd waaruit de Italiaanse nationaliteit van [A] blijkt. Dat dit in de toekomst mogelijk wel aangetoond kan worden, betekent niet dat verweerder hier in deze asielprocedure al rekening mee moet houden. Anders dan eiseres stelt, geldt voor het vaststellen van een eventuele Italiaanse identiteit en nationaliteit van [A] in het licht van haar asielrelaas niet dat ze deze slechts aannemelijk moet maken.
Artikel 8 van Pro het EVRM en het Terugkeerbesluit en Inreisverbod
7. Eiseres voert aan dat verweerder bij de motivering van het beroep van eiseres op artikel 8 van Pro het EVRM er geen blijk van heeft gegeven dat hij de belangen van de
minderjarige [A] voorop heeft gesteld. Op pagina 15 van de Werkinstructie 2020/16 staat dat aanzienlijk gewicht dient te worden toegekend aan de significante belangen van de minderjarige dochter. [A] heeft het recht om te weten van wie zij afstamt, dus in dit geval wie haar vader is. Ook heeft zij op grond van artikel 7, eerste lid, van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) het recht om te worden verzorgd door haar beide ouders en op grond van artikel 9, derde lid van het IVRK recht op regelmatig contact met beide ouders. Verweerder had de beslissing dienen aan te houden en eiseres in de gelegenheid moeten stellen om binnen redelijke termijn de uitkomst van een DNA-onderzoek te overleggen. Gelet op de zwaarwegende belangen van de minderjarige [A] had verweerder geen terugkeerbesluit mogen slaan. Haar verblijf is naar verwachting niet illegaal als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG, hierna: TRi) en ingevolge artikel 5 van Pro de TRi dient bij de tenuitvoerlegging van de TRi rekening te worden gehouden met onder andere het belang van het kind alsook met het familie- en gezinsleven. Zonder rechtsgeldig terugkeerbesluit kan ook geen inreisverbod aan eiseres en [A] worden opgelegd.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM heeft verleend. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd dat haar dochter de Italiaanse nationaliteit heeft. Het is (nog) niet duidelijk wie de vader van [A] is en het is dus ook niet gebleken dat de heer [C] haar vader is. Verweerder heeft dan ook niet de belangen van de minderjarige [A] geschonden door geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM te verlenen. Daarbij komt dat eiseres ook niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze artikel 8 van Pro het EVRM zal worden geschonden indien wel blijkt dat haar dochter de Italiaanse nationaliteit heeft. Eiseres heeft niet onderbouwd dat er, naast de voorgenomen ontmoetingen, een ouder- kindrelatie bestaat tussen de heer [C] en [A] en ze wonen ook niet samen. Eiseres heeft verder alleen documenten overgelegd waaruit blijkt dat de heer [C] in contact wil treden met [A] en daarna mogelijk een DNA-test wil doen. Dit betekent echter niet dat verweerder daarom nu al de besluitvormingsprocedure in deze asielprocedure aan had moeten houden. Het voorgaande betekent ook dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd aan eiseres en haar dochter en ook dat verweerder een inreisverbod heeft mogen opleggen aan eiseres.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep aan te houden en het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen in afwachting van een DNA-onderzoek.
10. Eiseres komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
11. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
28 januari 2022
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. B. Fijnheer T.R. Oosterhoff - Vos
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.